Vergadering
van Gelovigen is de benaming van een wereldwijde groep christenen die op eenvoudige
wijze wil
samenkomen, op de manier zoals de Bijbel dat leert. Met de Baptistengemeenten
behoren de Vergaderingen tot de oudste vrijkerkelijke
groeperingen in Nederland. In 1854 komt John
Nelson Darby (
29-04-1882), de bekende Engelse prediker en voorganger van de Brethren
Movement, naar Nederland om bijbellezingen te houden. De bijeenkomsten, waarin
de aanwezigen ook samen het avondmaal vierden, zou u kunnen zien als het
feitelijke begin van de Vergaderingen in Nederland. De Nederlandse Vergaderingen vormen een klein
deel van de wereldwijde 'Broederbeweging', die mogelijk
zo'n miljoen personen omvat.
Wij spreken meestal over elkaar als broeders en zusters. Wij maken daarbij
geen onderscheid of iemand is gedoopt of al dan niet deelneemt aan de
avondmaalsviering. Het is belangrijker te weten een wedergeboren christen te zijn.
Op deze website kunt u op uw gemak kennis met ons
maken. Via het menu rechts leest u over diverse Bijbelse zaken die
belangrijk zijn in ons geloofsleven. Ook treft u hier informatie aan over onze christelijke
samenkomsten, de activiteiten en themadiensten die we organiseren. Klik
hiervoor rechtsboven op het tabblad 'informatie'.
Nadere
uitwerking
Over wat de Vergadering van Gelovigen is en hoe deze functioneert, bestaat
nogal wat misverstand. Hoewel het niet de bedoeling is hier een uitputtende
uiteenzetting te geven als antwoord op deze vragen, willen we toch proberen
enkele opvallende kenmerken van de 'Vergadering' toe te lichten.
Ook in Nederland bestaan in verschillende plaatsen Vergaderingen en zij
kenmerken zich vooral door de volgende zaken:
- Zij zijn over het algemeen klein.
- Zij kennen geen voorgangers.
- Men noemt elkaar broeders en zusters.
- Tijdens de diensten wordt er door verschillende broeders een lied opgegeven,
een gebed uitgesproken, een gedeelte uit de Bijbel voorgelezen en tijdens de
woordbediening een gedachte uitgesproken naar aanleiding van een
bijbelgedeelte. Dit alles gebeurt zonder dat het van te voren is afgesproken
maar onder leiding van de Heilige Geest.
- Zij vieren elke zondagmorgen het Avondmaal.
- Er is wekelijks een bidstond, er is een bijbelbespreking, vaak is er een
zondagsschool en voor de wat oudere jeugd zijn er bijbellessen.
- Zij hebben de doop van gelovigen.
- Zij hebben een uitgesproken toekomstvisie.
Voor een goed begrip hoe deze kernmerken zijn ontstaan, is het nodig om in de
geschiedenis terug te gaan naar de begintijd van de 'vergaderingen'. Als
reactie op de 18e-eeuwse Verlichting en de Franse tijd ontstond er in het
begin van de 19e eeuw het Réveil. Deze beweging kenmerkt zich door een
hernieuwde belangstelling voor de Bijbelse waarheden en de uitwerking daarvan
in het praktische christenleven en evangelieverkondiging.
Eén van de eersten die ging samenkomen (of vergaderen) zoals wij dat nu nog
doen, was de in Londen geboren John Nelson Darby (1800-1882) (foto). Als student in
de rechten kwam hij, ongeveer 20 jaar oud, door het lezen van de Bijbel tot
bekering. Bij het woord 'bekering' moet hierbij niet de associatie gemaakt
worden met opwekkingsbijeenkomsten met halleluja-geroep in een wat opgebouwde
sfeer maar aan een zuiver bijbels begrip. Het is wat de verloren zoon (Lukas
15 vers 11 tot 32 - zie kader rechts) deed toen hij zei: 'Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan
en tot hem zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u….', en
daarna de daad bij het woord voegde. Soms kan een mens zich ineens realiseren
dat zijn zonden als een muur tussen God en hem in staan; als zo iemand zich
dan omkeert en zijn zonden belijdt zoals de verloren zoon dat deed, in het
geloof dat het bloed van Christus Jezus, Gods Zoon, die zonden wegneemt, dan
is hij bekeerd. Dan is hij ook in de ware zin van het woord een christen. Let
op het verschil met het gangbare spraakgebruik, dat iemand een christen wordt
genoemd als hij lid van een kerk of bewoner van een christelijk land is.
Na zijn bekering verwisselde Darby zijn rechtenstudie voor die in de theologie
en werd hij predikant van de Anglicaanse kerk in een Ierse plattelandsgemeente
niet ver van Dublin. Daar vond hij, naast zijn herderlijke bezigheden, de tijd
tot een dieper gaande studie van de Bijbel. Door genade van God ontdekte hij
daarin vele kostbare schatten, waarheden waarvan het bestaan in de kerk van
die dagen nauwelijks meer bekend was zoals b.v. de inwoning van de Heilige
Geest in de gelovigen. Ook kreeg hij langzamerhand het onrustige gevoel dat er
aan het kerkelijke systeem iets mankeerde. Zelf formuleerde hij dat eens
ongeveer zo: 'Gesteld dat Paulus hier kwam, dan zou hij niet eens mogen
prediken daar hem diploma's en beroepspapieren zouden ontbreken. De felste
tegenstander van Paulus' leer echter, mits voorzien van de benodigde papieren,
zou volgens kerkelijk recht hier wél mogen spreken. Ik zag in dat een
dergelijk stelsel niet deugt: in feite stelt het de mens in de plaats van
God.'.
In deze tijd begon ook de gedachte aan de wijze waarop de Gemeente van
Christus zich hier op aarde openbaarde, hem bezig te houden. In de begintijd
van het christendom had het ware Lichaam van Christus, de Gemeente, bestaande
uit alle ware gelovigen, dezelfde grenzen als het belijdende christendom, of
anders gezegd: de onzichtbare en de zichtbare kerk vielen samen. In de tijd
van Augustinus (4e eeuw)was dat echter al anders. Hij introduceerde het begrip
'onzichtbare kerk' .
De zichtbare kerk bestond uit bekeerden en onbekeerden, gelovigen en
ongelovigen, christenen en niet-christenen door elkaar, terwijl ze toch
allemaal christenen werden genoemd, en werden aangesproken als 'beminde
gemeente' of 'geliefde broeders'. Dit had een onvermijdelijke devaluatie van
de inhoud van deze woorden tot gevolg en nog is het zo dat velen zich
nauwelijks realiseren dat de zichtbare kerk veel meer omvat dan het ware
Lichaam van Christus, de Gemeente. Dit was iets waarvan Darby zich steeds
duidelijker bewust werd.
In deze tijd begon Darby mee te werken aan de zending onder katholieken.
Ierland is vanouds rooms-katholiek en deze omstandigheid heeft steeds een rol
gespeeld in de politieke verhouding met het protestantse Engeland. De
zendingsarbeid werd zeer gezegend en velen kwamen tot geloof en traden toe tot
de Engelse staatskerk. Toen werd plotseling deze zegenrijke arbeid gestuit
door een bevel van de aartsbisschop, dat alle pasbekeerden de eed van trouw
aan de Engelse koning (het hoofd van de staatskerk) af moesten leggen. Hier
wreekte zich één van de fundamentele zwakheden die het protestantisme
vrijwel vanaf het begin kenmerkte, namelijk een verbinding met politieke
machten. Misschien wel begrijpelijk in het kader van het ontstaan van de
protestantse kerken, maar vanuit bijbels standpunt is het zeer bedenkelijk dat
hemelse en aardse zaken aan elkaar gekoppeld worden.
In die dagen schreef Darby: 'Mijn ogen zijn nu geheel opengegaan voor de
treurige toestand van de kerk. Ik vind nergens in de Bijbel dat er sprake is
van een nationale kerk. Is de kerk van Engeland - en was ze ooit - de Gemeente
van God in Engeland? Ik zeg dat ze een wereldse instelling is, want ze bevat
niet de heiligen, maar het Engelse volk.'.
Daar Darby aan het bovengenoemde aartsbisschoppelijke bevel niet ongehoorzaam
wilde zijn, maar omwille van zijn geweten niet gehoorzaam kón zijn, besloot
hij zijn predikambt neer te leggen. Maar aangezien hij de verkeerde toestand
van de staatskerk zo duidelijk inzag, ontkwam hij er niet aan zijn positie in
die kerk, als lid van die kerk, aan een dieper gaande beschouwing te
onderwerpen. In het algemeen hoeft een dergelijk probleem in het
protestantisme niet lang op een 'oplossing' te wachten: men vindt allicht
één of andere kerk waarvan de belijdenis niet al te veel verschilt met de
eigen gedachten en zoekt daar vervolgens geestelijk onderdak. Maar het is
gemakkelijk in te zien dat dit een schijnoplossing is, omdat de
probleemstelling niet deugt. Immers de vraag 'welke kerk moet ik kiezen?',
aanvaardt het bestaan van diverse kerken in belangrijke mate als feit waarmee
men het moet doen. Men is eerder verontrust over de vele verschillende kerken
dan over het gegeven dat de kerken in het algemeen zowel bestaan uit bekeerden
als onbekeerden. Bij toetreding tot een kerk wordt men geconfronteerd met de
vraag of men de belijdenisgeschriften wil ondertekenen. Deze
belijdenisgeschriften zijn dikwijls opgesteld als reactie op één of andere
dwaling en bevatten meermalen diepe en schone gedachten. Gehanteerd als
toelatingscriterium trekken ze echter muren op die er niet behoren te zijn.
Als ze in volledige overeenstemming zijn met het Woord van God (de Bijbel),
zeggen ze niets nieuws en zijn ze overbodig; indien ze daarmee niet volledig
overeenstemmen zijn ze niet alleen overbodig maar ook schadelijk. De enige
vraag die er toe doet, is of men een bekeerd, wedergeboren kind van God is.
De vraag 'welke kerk moet ik kiezen' lost dus niets op. Een volgende stap zou
kunnen zijn dat men een nieuwe kerk sticht met een zuivere leer. Om die
zuiverheid te waarborgen moet dan een zo waterdicht mogelijk
belijdenisformulier worden opgesteld. Maar het zal in het licht van het
voorgaande duidelijk zijn dat dit niet als een echte oplossing beschouwd kan
worden: de historie herhaalt zich dan voor de zoveelste keer. Wat is dan een
zinvolle vraag? We staan voor een situatie, waarin de Gemeente, het Lichaam
van Christus, in haar aardse verschijningvorm in talloze stukjes is
verbrokkeld. En elk van die brokstukjes bevat gelovigen en ongelovigen
onlosmakelijk door elkaar. In die toestand is de enige zinvolle vraag: Heeft
God deze situatie voorzien en in de Bijbel aanwijzingen gegeven, hoe daarin te
handelen?
Vanaf 1828 komt Darby met enige gelijkgezinde gelovigen in Dublin regelmatig
samen om de Bijbel te bestuderen en een antwoord op deze vraag te vinden. Ten
diepste was het hun verlangen een antwoord te vinden op de praktische vraag:
Hoe kunnen gelovigen in deze tijd vol verdeeldheid toch de eenheid van de
Gemeente openbaren? Zij begrepen, dat de zichtbare eenheid niet meer hersteld
kon worden: onkruid en tarwe moeten beiden opgroeien tot de oogst. Maar zij
begrepen op grond van het Woord van God, dat het ook nu mogelijk moet zijn, de
eenheid van de gehele Gemeente erkennend, aan de Tafel van de Heer samen te
komen als gelovigen tot aanbidding, waarbij tot toelating geen andere eisen
dan de bijbelse mogen worden gesteld. En zij begonnen op deze wijze elke
zondag te vergaderen aan de Tafel van de Heer. Let wel: deze 'vergadering van
gelovigen' is dus geen kerk. Zij laat met vreugde ieder toe die op bijbelse
gronden belijdt door het verzoeningswerk van Christus een wedergeboren kind
van God te zijn geworden, indien zijn wandel, dus zijn praktisch gedrag als
christen hier op aarde, in overeenstemming is met het nieuwe leven, en
hanteert anderzijds de tucht alleen op schriftuurlijke basis. Zij meent dat
zij op deze wijze, te midden van een verscheurde christenheid, aan de Tafel
van de Heer de eenheid van het Lichaam van Christus demonstreert.
Enige nadere toelichting op dit standpunt is wellicht gewenst. In de eerste
plaats maken wij geen eenheid, maar we geven uitdrukking aan een eenheid die
reeds bestaat: de eenheid van het Lichaam van Christus, waarvan Hij het hoofd
is, en iedere gelovige een lid. Van deze eenheid is de Tafel van de Heer de
uitdrukking. Daar mag dus niemand geweerd worden die de Heer Jezus bijbels
belijdt en in leer en praktijk niet als een 'vat tot oneer' kan worden
beschouwd. Wie strengere criteria aanlegt, en daardoor andersdenkende
gelovigen weert, maakt een zichtbare breuk in het getuigenis van de eenheid
van de Gemeente en kan als sektarisch worden beschouwd. Wie het anderzijds,
met het enig juiste criterium, niet zo nauw neemt, verontreinigt de Tafel van
de Heer.
Met opzet is hierboven niet gesproken over 'het Avondmaal' maar over 'Tafel
van de Heer'. Het Avondmaal representeert het aspect van de gedachtenis. Alle
gelovigen zullen als individuele verlosten, als vrijgekochten door het bloed
van de Heer Jezus, bij het Avondmaal denken aan die wonderlijke verlossing uit
de slavernij van de zonde en de satan, maar bovenal aan Hém door Wie hij is
verlost. Het moet waardig gevierd worden en iedereen persoonlijk moet er op
toezien, hoe hij daar aan deelneemt. De Heer neemt daarbij ieders persoonlijke
verantwoording in aanmerking.
De Tafel van de Heer geeft uitdrukking van de eenheid van zijn Gemeente. Het
is zijn Tafel en daar geldt zijn gezag. Daar mag dan ook geen vermenging met
het onheilige gevonden worden. En dat is een gemeenschappelijke
verantwoordelijkheid. Hier gaat het over de gemeenschap met de Heer op grond
van zijn verzoeningswerk, van zijn bloed. Dit is de reden waarom dat hier
vóór het brood wordt genoemd. Aan die Tafel geldt dus zijn gezag. Daar moet
ieder welkom zijn, die door Hem zou worden toegelaten en moet ieder worden
geweerd, die door Hem zou worden geweigerd. Hier kan zich een moeilijkheid
voordoen. Zijn wij wel in staat om de maatstaf van Christus te hanteren? De
geschiedenis van de eerste gemeenten bewijst dat het kan. Wij vinden, door de
Geest van God gewerkt, geestelijk onderscheidingsvermogen ten aanzien van
anderen (Petrus versus Ananias en Saffira, Petrus versus Simon de tovenaar,
Johannes versus Diótrefes). Maar was dat niet een andere tijd, toen alles nog
fris was? Kennen wij nu nog dat geestelijk onderscheidingsvermogen? De
inwoning van de Heilige Geest is al even genoemd. Ook hebben wij de
uitdrukkelijke belofte van de Heer, dat Hij ons in al de waarheid leiden zal.
Dat wil zeggen, dat in de gelovigen, zowel individueel als gemeenschappelijk,
de geestelijke zintuigen in principe aanwezig zijn. Ze moeten echter ook door
geestelijke oefening tot ontplooiing komen en staan niet op zichzelf, maar
kunnen slechts functioneren in verbinding met de bron. Zo zal de kwestie van
al of niet toelaten tot de Tafel van de Heer slechts onder leiding van de
Heilige Geest op de juiste wijze behandeld kunnen worden.
De wijze waarop men aan zijn Tafel samenkomt is door de Heer voorgeschreven.
Hij is immers de tafelheer. We komen daar samen tot aanbidding. In de
rooms-katholieke mis stond het offer van Christus centraal. Toen bij de
hervorming de mis verdween, verdween daarmee tevens het offer uit de eredienst
en dat betekende tegelijkertijd het verdwijnen van de aanbidding en in feite
betekende dat het verdwijnen van de eredienst. Nog maar een paar keer per jaar
kwam men bijeen om het Avondmaal te vieren. Het is geen wonder dat toen het
offer verdween uit het middelpunt van de dienst, het ook verdween uit het
middelpunt van de gedachten.
In het middelpunt van de protestantse dienst kwam dus niet het offer te staan
maar het geopende Woord. Vanzelfsprekend beschouwde men dat Woord, dat zo lang
verboden was geweest, als een kostbare schat. En onvoorstelbaar groot is de
zegen geweest door dat Woord verspreid: Het is immers levend en krachtig, het
is de stem van God tot ons. Maar het plaatsen van het Woord in het centrum van
elke dienst was wel eenzijdig. We lezen dat de Gemeente in de tijd van de
apostelen niet alleen volharde in de leer, maar ook in de gemeenschap, de
breking van het brood en de gebeden. Natuurlijk was na de eeuwen van
middeleeuwse duisternis een grondige kennis van het Woord van God meer dan
nodig. Maar de sterke nadruk die men daarop in de diensten legde, benadeelde
de andere genoemde aspecten van de dienst: er bestond geen evenwicht.
Reeds vanaf het begin was in het protestantisme merkbaar dat bekeerden en
onbekeerden samen gingen. De leiding werd in handen gelegd van een daartoe
degelijk geschoold man: de predikant. Daardoor ontnam men de Heilige Geest
voor een groot deel de mogelijkheid om via de gelovigen zijn werking in de
samenkomst uit te oefenen. Maar dat realiseerde men zich niet. Gevolg is dat
de predikant komt te staan tegenover de zwijgende, bijna passieve gemeente. In
hem worden alle geestesgaven tezamen verondersteld: hij is evangelist, herder,
leraar etc. Alle geestesgaven, aan de gemeente als geheel in haar leden
geschonken, oefent slechts hij uit: hij doet alles wat de gemeente behoorde te
doen. De gemeente zit en luistert. Ze mag nog wel zingen. In een liturgische
dienst is haar bijdrage geheel of bijna geheel voorgeprogrammeerd. Verder is
de gemeente altijd in de rol van toegesprokene, altijd catechesant. Daardoor
slaapt ze lichamelijk en geestelijk in: het is onmogelijk om zonder
schadelijke gevolgen de geestelijke gaven van de overgrote meerderheid van de
gemeente te verwaarlozen en de vrije werking van de Heilige Geest in de dienst
te belemmeren.
Darby komt dus met medegelovigen weer bijeen tot aanbidding aan de Tafel van
de Heer. Zij zijn zoals gezegd gelovigen, zij zijn dus priesters en ze oefenen
hun priesterschap ook weer uit. De één heft een loflied aan, de anderen
vallen hem bij. Een tweede dankt God voor het grote heil dat Hij geschonken
heeft, het 'amen' wordt door allen herhaald want hij sprak uit wat door de
Geest van God gewerkt in de harten van allen leefde. Een derde leest een
toepasselijk gedeelte uit de Bijbel voor. Een vierde breekt het brood en het
gaat van hand tot hand; ook de beker gaat rond en ieder drinkt eruit. Zo
verkondigen zij de dood van de Heer (want dat is de grond van hun behoud)
totdat Hij komt, want dat zal eens gebeuren. Zo zijn ze daar als zijn gasten
aan zijn Tafel. Hij is daar Zelf ook, want waar twee of drie vergaderd zijn
tot zijn naam, daar is Hij in hun midden.
Deze eredienst vindt plaats op
zondagmorgen (zie kader rechts). De andere in het begin van de
hiervoor genoemde diensten vinden plaats op zowel zondagen als doordeweekse
dagen. Eén ding hebben de samenkomsten gemeen: men wil de Heilige Geest niet
belemmeren door regels, maar Hem in de gelegenheid stellen zijn werking uit te
oefenen door wie Hij wil. Daarom is er geen sprake van aangestelde
'ambtsdragers' maar worden de gaven van de Heilige Geest erkent in hen waarin
ze werken. De Heilige Geest woont in de Gemeente en deelt de gaven uit. Het is
de verantwoordelijkheid van de gelovige om de hem toegedeelde gave te
ontwikkelen en bij de ander te beproeven en te erkennen. Kunnen zulke diensten
dan wel ordelijk verlopen? Het is de beste garantie voor geestelijke orde.
Christus is daar en zijn Geest (Heilige Geest) heeft de leiding. Als men zich
daaraan onderwerpt, heerst er zonder meer orde. De Gemeente heeft hier een
taak en een daaraan verbonden verantwoordelijkheid. Onttrekt men zich daaraan,
dan heeft dat zwaarwegende gevolgen, al zijn de bedoelingen nog zo goed.
Mogelijk rijst de vraag welke leer er dan wel is. Het zal duidelijk zijn dat
de zuiverheid van de Tafel van de Heer haar eisen stelt. Niemand zal
toegelaten kunnen worden die de reinigende kracht van het bloed van Christus
hetzij loochent hetzij voor zichzelf niet aanvaardt. Evenmin hij, die de
Godheid van Christus in twijfel trekt of hij die niet ernstig een heilige
levenswandel nastreeft en bestaande verbindingen met het kwaad verbreekt. En
wat de leer betreft: er bestaat onderling een vrij vergaande eensgezindheid
over vele hoofdzaken zoals de verhouding Israël en de Gemeente, de doop en de
toekomst. Verschil in opvatting over dergelijke onderwerpen mag niet een
beletsel zijn voor toelating. Wel een beletsel voor toelating is een verbinding met iemand die in zonde
leeft of die een onbijbelse leer verkondigt. Deze verbindingen dienen eerst te
zijn verbroken.
Het antwoord op de vraag hoe de Vergadering zou moeten functioneren kan alleen
gevonden worden als wij ons toevertrouwen aan God en aan het Woord van zijn
genade. Daarbij is het nodig dat wij biddend onder de leiding van zijn Geest
dagelijks de Schriften onderzoeken om te weten of deze dingen zo zijn. Vele
tekortkomingen in verleden en heden zijn door menselijke zwakheden en falen
aanwijsbaar. Maar door genade van God en kracht van de Heilige Geest mogen wij
nog steeds samenkomen zoals Hij ons dat in zijn Woord duidelijk maakt.
De tekst van deze nadere uitwerking is een bewerking van een inleiding
gehouden op 28 februari 1962 door prof. P. Jongenburger (1924-2006).
Nevenstaand
schilderij van kunstenares Anneke Kaai (1951), kreeg van haar als titel mee:
'Gebroken, vergoten, verrezen'.
Het symboliseert de verschillende aspecten van het Avondmaal als gedachtenis
maaltijd door:
- het gebroken brood: de Heer Jezus heeft zijn lichaam overgegeven in de dood;
- de uitvloeiende wijn: de Heer Jezus heeft zijn bloed gestort;
- het licht dat van achter het kruis verschijnt: Hij is als levende Heer
aanwezig waar twee of drie samenkomen in zijn Naam.
De
eerste dag van de week.
Direct in aansluiting op het scheppingsverhaal in het boek Genesis kunnen wij
lezen over de zevende dag, dat God deze als een bijzondere dag afzondert
(heiligt) voor Zichzelf:
Genesis 2 vers 2: Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij
gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had.
3. En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft
van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.
(NBG-vertaling)
Het volk Israël kreeg bij de wetgeving de opdracht deze zevende dag, de
sabbatdag, te onderhouden en geen werk te doen (Exodus 20 vers 8-10 en 31 vers
12-17).
Direct na het volbrachte Verzoeningswerk van de Heer Jezus zien we dat de eerste
dag van de week op de voorgrond treedt. In alle vier de evangeliën lezen wij
dat de Heer Jezus is opgestaan op de eerste dag van de week
(Mattheüs.28, Marcus 16, Lukas 24, Johannes 20). Ook verschijnt Hij als de
opgestane Heer tweemaal aan de discipelen op de eerste dag van de week
(Johannes 20 vers 19 en 26). Wij lezen nergens een gebod om de eerste dag van de
week af te zonderen als rustdag of dag van samenkomst om aan Hem te denken en om
Hem te aanbidden. Toch zien we dat bij de jonge christengemeente in Troas op de eerste
dag van de week wordt samengekomen om brood te breken. Daar was het
doel van samenkomen in de eerste plaats de viering van het Avondmaal. Omdat
Paulus en zijn gezelschap, onder wie ook Lukas - de schrijver van het boek
Handelingen, de volgende dag zouden vertrekken, werd er ook gepredikt
(Handelingen 20 vers 7 en verder). Het is duidelijk dat de eerste dag van de
week al vroeg een bijzondere dag is geworden voor de Christenen. Deze dag is
bestemd als dag van eredienst en als dag van weldadigheid (1 Korinthe 16 vers 1
en 2).
In feite is hiermee de volgorde: eerst werken - daarna rusten, omgedraaid. Het
is nu geworden: eerst rusten - daarna werken. Dit benadrukt dat er na de opstanding van de Heer Jezus een totaal nieuwe
situatie is gekomen.