. Het is vandaag .
Home  »  Algemeen

 Pagina Zoom 

Vergadering van Gelovigen is de benaming van een wereldwijde groep christenen die op eenvoudige wijze wil samenkomen, op de manier zoals de Bijbel dat leert. Met de Baptistengemeenten behoren de Vergaderingen tot de oudste vrijkerkelijke groeperingen in Nederland. In 1854 komt John Nelson Darby ( 29-04-1882), de bekende Engelse prediker en voorganger van de Brethren Movement, naar Nederland om bijbellezingen te houden. De bijeenkomsten, waarin de aanwezigen ook samen het avondmaal vierden, zou u kunnen zien als het feitelijke begin van de Vergaderingen in Nederland. De Nederlandse Vergaderingen vormen een klein deel van de wereldwijde 'Broederbeweging', die mogelijk zo'n miljoen personen omvat.

Een belangrijk onderdeel van de nalatenschap van John Nelson Darby is de weekelijkse avondmaalsviering.

Wij spreken meestal over elkaar als broeders en zusters. Wij maken daarbij geen onderscheid of iemand is gedoopt of al dan niet deelneemt aan de avondmaalsviering. Het is belangrijker te weten een wedergeboren christen te zijn.

Op deze website kunt u op uw gemak kennis met ons maken. Via het menu rechts leest u over diverse Bijbelse zaken die belangrijk zijn in ons geloofsleven. Ook treft u hier informatie aan over onze christelijke samenkomsten, de activiteiten en themadiensten die we organiseren. Klik hiervoor rechtsboven op het tabblad 'informatie'.

Nadere uitwerking
Over wat de Vergadering van Gelovigen is en hoe deze functioneert, bestaat nogal wat misverstand. Hoewel het niet de bedoeling is hier een uitputtende uiteenzetting te geven als antwoord op deze vragen, willen we toch proberen enkele opvallende kenmerken van de 'Vergadering' toe te lichten.

Ook in Nederland bestaan in verschillende plaatsen Vergaderingen en zij kenmerken zich vooral door de volgende zaken:
- Zij zijn over het algemeen klein.
- Zij kennen geen voorgangers.
- Men noemt elkaar broeders en zusters.
- Tijdens de diensten wordt er door verschillende broeders een lied opgegeven, een gebed uitgesproken, een gedeelte uit de Bijbel voorgelezen en tijdens de woordbediening een gedachte uitgesproken naar aanleiding van een bijbelgedeelte. Dit alles gebeurt zonder dat het van te voren is afgesproken maar onder leiding van de Heilige Geest.
- Zij vieren elke zondagmorgen het Avondmaal.
- Er is wekelijks een bidstond, er is een bijbelbespreking, vaak is er een zondagsschool en voor de wat oudere jeugd zijn er bijbellessen.
- Zij hebben de doop van gelovigen.
- Zij hebben een uitgesproken toekomstvisie.

Voor een goed begrip hoe deze kernmerken zijn ontstaan, is het nodig om in de geschiedenis terug te gaan naar de begintijd van de 'vergaderingen'. Als reactie op de 18e-eeuwse Verlichting en de Franse tijd ontstond er in het begin van de 19e eeuw het Réveil. Deze beweging kenmerkt zich door een hernieuwde belangstelling voor de Bijbelse waarheden en de uitwerking daarvan in het praktische christenleven en evangelieverkondiging.

Eén van de eersten die ging samenkomen (of vergaderen) zoals wij dat nu nog doen, was de in Londen geboren John Nelson Darby (1800-1882) (foto). Als student in de rechten kwam hij, ongeveer 20 jaar oud, door het lezen van de Bijbel tot bekering. Bij het woord 'bekering' moet hierbij niet de associatie gemaakt worden met opwekkingsbijeenkomsten met halleluja-geroep in een wat opgebouwde sfeer maar aan een zuiver bijbels begrip. Het is wat de verloren zoon (Lukas 15 vers 11 tot 32 - zie kader rechts) deed toen hij zei: 'Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u….', en daarna de daad bij het woord voegde. Soms kan een mens zich ineens realiseren dat zijn zonden als een muur tussen God en hem in staan; als zo iemand zich dan omkeert en zijn zonden belijdt zoals de verloren zoon dat deed, in het geloof dat het bloed van Christus Jezus, Gods Zoon, die zonden wegneemt, dan is hij bekeerd. Dan is hij ook in de ware zin van het woord een christen. Let op het verschil met het gangbare spraakgebruik, dat iemand een christen wordt genoemd als hij lid van een kerk of bewoner van een christelijk land is.

Na zijn bekering verwisselde Darby zijn rechtenstudie voor die in de theologie en werd hij predikant van de Anglicaanse kerk in een Ierse plattelandsgemeente niet ver van Dublin. Daar vond hij, naast zijn herderlijke bezigheden, de tijd tot een dieper gaande studie van de Bijbel. Door genade van God ontdekte hij daarin vele kostbare schatten, waarheden waarvan het bestaan in de kerk van die dagen nauwelijks meer bekend was zoals b.v. de inwoning van de Heilige Geest in de gelovigen. Ook kreeg hij langzamerhand het onrustige gevoel dat er aan het kerkelijke systeem iets mankeerde. Zelf formuleerde hij dat eens ongeveer zo: 'Gesteld dat Paulus hier kwam, dan zou hij niet eens mogen prediken daar hem diploma's en beroepspapieren zouden ontbreken. De felste tegenstander van Paulus' leer echter, mits voorzien van de benodigde papieren, zou volgens kerkelijk recht hier wél mogen spreken. Ik zag in dat een dergelijk stelsel niet deugt: in feite stelt het de mens in de plaats van God.'.

In deze tijd begon ook de gedachte aan de wijze waarop de Gemeente van Christus zich hier op aarde openbaarde, hem bezig te houden. In de begintijd van het christendom had het ware Lichaam van Christus, de Gemeente, bestaande uit alle ware gelovigen, dezelfde grenzen als het belijdende christendom, of anders gezegd: de onzichtbare en de zichtbare kerk vielen samen. In de tijd van Augustinus (4e eeuw)was dat echter al anders. Hij introduceerde het begrip 'onzichtbare kerk' .
De zichtbare kerk bestond uit bekeerden en onbekeerden, gelovigen en ongelovigen, christenen en niet-christenen door elkaar, terwijl ze toch allemaal christenen werden genoemd, en werden aangesproken als 'beminde gemeente' of 'geliefde broeders'. Dit had een onvermijdelijke devaluatie van de inhoud van deze woorden tot gevolg en nog is het zo dat velen zich nauwelijks realiseren dat de zichtbare kerk veel meer omvat dan het ware Lichaam van Christus, de Gemeente. Dit was iets waarvan Darby zich steeds duidelijker bewust werd.

In deze tijd begon Darby mee te werken aan de zending onder katholieken. Ierland is vanouds rooms-katholiek en deze omstandigheid heeft steeds een rol gespeeld in de politieke verhouding met het protestantse Engeland. De zendingsarbeid werd zeer gezegend en velen kwamen tot geloof en traden toe tot de Engelse staatskerk. Toen werd plotseling deze zegenrijke arbeid gestuit door een bevel van de aartsbisschop, dat alle pasbekeerden de eed van trouw aan de Engelse koning (het hoofd van de staatskerk) af moesten leggen. Hier wreekte zich één van de fundamentele zwakheden die het protestantisme vrijwel vanaf het begin kenmerkte, namelijk een verbinding met politieke machten. Misschien wel begrijpelijk in het kader van het ontstaan van de protestantse kerken, maar vanuit bijbels standpunt is het zeer bedenkelijk dat hemelse en aardse zaken aan elkaar gekoppeld worden.

In die dagen schreef Darby: 'Mijn ogen zijn nu geheel opengegaan voor de treurige toestand van de kerk. Ik vind nergens in de Bijbel dat er sprake is van een nationale kerk. Is de kerk van Engeland - en was ze ooit - de Gemeente van God in Engeland? Ik zeg dat ze een wereldse instelling is, want ze bevat niet de heiligen, maar het Engelse volk.'.

Daar Darby aan het bovengenoemde aartsbisschoppelijke bevel niet ongehoorzaam wilde zijn, maar omwille van zijn geweten niet gehoorzaam kón zijn, besloot hij zijn predikambt neer te leggen. Maar aangezien hij de verkeerde toestand van de staatskerk zo duidelijk inzag, ontkwam hij er niet aan zijn positie in die kerk, als lid van die kerk, aan een dieper gaande beschouwing te onderwerpen. In het algemeen hoeft een dergelijk probleem in het protestantisme niet lang op een 'oplossing' te wachten: men vindt allicht één of andere kerk waarvan de belijdenis niet al te veel verschilt met de eigen gedachten en zoekt daar vervolgens geestelijk onderdak. Maar het is gemakkelijk in te zien dat dit een schijnoplossing is, omdat de probleemstelling niet deugt. Immers de vraag 'welke kerk moet ik kiezen?', aanvaardt het bestaan van diverse kerken in belangrijke mate als feit waarmee men het moet doen. Men is eerder verontrust over de vele verschillende kerken dan over het gegeven dat de kerken in het algemeen zowel bestaan uit bekeerden als onbekeerden. Bij toetreding tot een kerk wordt men geconfronteerd met de vraag of men de belijdenisgeschriften wil ondertekenen. Deze belijdenisgeschriften zijn dikwijls opgesteld als reactie op één of andere dwaling en bevatten meermalen diepe en schone gedachten. Gehanteerd als toelatingscriterium trekken ze echter muren op die er niet behoren te zijn. Als ze in volledige overeenstemming zijn met het Woord van God (de Bijbel), zeggen ze niets nieuws en zijn ze overbodig; indien ze daarmee niet volledig overeenstemmen zijn ze niet alleen overbodig maar ook schadelijk. De enige vraag die er toe doet, is of men een bekeerd, wedergeboren kind van God is.

De vraag 'welke kerk moet ik kiezen' lost dus niets op. Een volgende stap zou kunnen zijn dat men een nieuwe kerk sticht met een zuivere leer. Om die zuiverheid te waarborgen moet dan een zo waterdicht mogelijk belijdenisformulier worden opgesteld. Maar het zal in het licht van het voorgaande duidelijk zijn dat dit niet als een echte oplossing beschouwd kan worden: de historie herhaalt zich dan voor de zoveelste keer. Wat is dan een zinvolle vraag? We staan voor een situatie, waarin de Gemeente, het Lichaam van Christus, in haar aardse verschijningvorm in talloze stukjes is verbrokkeld. En elk van die brokstukjes bevat gelovigen en ongelovigen onlosmakelijk door elkaar. In die toestand is de enige zinvolle vraag: Heeft God deze situatie voorzien en in de Bijbel aanwijzingen gegeven, hoe daarin te handelen?

Vanaf 1828 komt Darby met enige gelijkgezinde gelovigen in Dublin regelmatig samen om de Bijbel te bestuderen en een antwoord op deze vraag te vinden. Ten diepste was het hun verlangen een antwoord te vinden op de praktische vraag: Hoe kunnen gelovigen in deze tijd vol verdeeldheid toch de eenheid van de Gemeente openbaren? Zij begrepen, dat de zichtbare eenheid niet meer hersteld kon worden: onkruid en tarwe moeten beiden opgroeien tot de oogst. Maar zij begrepen op grond van het Woord van God, dat het ook nu mogelijk moet zijn, de eenheid van de gehele Gemeente erkennend, aan de Tafel van de Heer samen te komen als gelovigen tot aanbidding, waarbij tot toelating geen andere eisen dan de bijbelse mogen worden gesteld. En zij begonnen op deze wijze elke zondag te vergaderen aan de Tafel van de Heer. Let wel: deze 'vergadering van gelovigen' is dus geen kerk. Zij laat met vreugde ieder toe die op bijbelse gronden belijdt door het verzoeningswerk van Christus een wedergeboren kind van God te zijn geworden, indien zijn wandel, dus zijn praktisch gedrag als christen hier op aarde, in overeenstemming is met het nieuwe leven, en hanteert anderzijds de tucht alleen op schriftuurlijke basis. Zij meent dat zij op deze wijze, te midden van een verscheurde christenheid, aan de Tafel van de Heer de eenheid van het Lichaam van Christus demonstreert.

Enige nadere toelichting op dit standpunt is wellicht gewenst. In de eerste plaats maken wij geen eenheid, maar we geven uitdrukking aan een eenheid die reeds bestaat: de eenheid van het Lichaam van Christus, waarvan Hij het hoofd is, en iedere gelovige een lid. Van deze eenheid is de Tafel van de Heer de uitdrukking. Daar mag dus niemand geweerd worden die de Heer Jezus bijbels belijdt en in leer en praktijk niet als een 'vat tot oneer' kan worden beschouwd. Wie strengere criteria aanlegt, en daardoor andersdenkende gelovigen weert, maakt een zichtbare breuk in het getuigenis van de eenheid van de Gemeente en kan als sektarisch worden beschouwd. Wie het anderzijds, met het enig juiste criterium, niet zo nauw neemt, verontreinigt de Tafel van de Heer.

Met opzet is hierboven niet gesproken over 'het Avondmaal' maar over 'Tafel van de Heer'. Het Avondmaal representeert het aspect van de gedachtenis. Alle gelovigen zullen als individuele verlosten, als vrijgekochten door het bloed van de Heer Jezus, bij het Avondmaal denken aan die wonderlijke verlossing uit de slavernij van de zonde en de satan, maar bovenal aan Hém door Wie hij is verlost. Het moet waardig gevierd worden en iedereen persoonlijk moet er op toezien, hoe hij daar aan deelneemt. De Heer neemt daarbij ieders persoonlijke verantwoording in aanmerking.

De Tafel van de Heer geeft uitdrukking van de eenheid van zijn Gemeente. Het is zijn Tafel en daar geldt zijn gezag. Daar mag dan ook geen vermenging met het onheilige gevonden worden. En dat is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Hier gaat het over de gemeenschap met de Heer op grond van zijn verzoeningswerk, van zijn bloed. Dit is de reden waarom dat hier vóór het brood wordt genoemd. Aan die Tafel geldt dus zijn gezag. Daar moet ieder welkom zijn, die door Hem zou worden toegelaten en moet ieder worden geweerd, die door Hem zou worden geweigerd. Hier kan zich een moeilijkheid voordoen. Zijn wij wel in staat om de maatstaf van Christus te hanteren? De geschiedenis van de eerste gemeenten bewijst dat het kan. Wij vinden, door de Geest van God gewerkt, geestelijk onderscheidingsvermogen ten aanzien van anderen (Petrus versus Ananias en Saffira, Petrus versus Simon de tovenaar, Johannes versus Diótrefes). Maar was dat niet een andere tijd, toen alles nog fris was? Kennen wij nu nog dat geestelijk onderscheidingsvermogen? De inwoning van de Heilige Geest is al even genoemd. Ook hebben wij de uitdrukkelijke belofte van de Heer, dat Hij ons in al de waarheid leiden zal. Dat wil zeggen, dat in de gelovigen, zowel individueel als gemeenschappelijk, de geestelijke zintuigen in principe aanwezig zijn. Ze moeten echter ook door geestelijke oefening tot ontplooiing komen en staan niet op zichzelf, maar kunnen slechts functioneren in verbinding met de bron. Zo zal de kwestie van al of niet toelaten tot de Tafel van de Heer slechts onder leiding van de Heilige Geest op de juiste wijze behandeld kunnen worden.

De wijze waarop men aan zijn Tafel samenkomt is door de Heer voorgeschreven. Hij is immers de tafelheer. We komen daar samen tot aanbidding. In de rooms-katholieke mis stond het offer van Christus centraal. Toen bij de hervorming de mis verdween, verdween daarmee tevens het offer uit de eredienst en dat betekende tegelijkertijd het verdwijnen van de aanbidding en in feite betekende dat het verdwijnen van de eredienst. Nog maar een paar keer per jaar kwam men bijeen om het Avondmaal te vieren. Het is geen wonder dat toen het offer verdween uit het middelpunt van de dienst, het ook verdween uit het middelpunt van de gedachten.

In het middelpunt van de protestantse dienst kwam dus niet het offer te staan maar het geopende Woord. Vanzelfsprekend beschouwde men dat Woord, dat zo lang verboden was geweest, als een kostbare schat. En onvoorstelbaar groot is de zegen geweest door dat Woord verspreid: Het is immers levend en krachtig, het is de stem van God tot ons. Maar het plaatsen van het Woord in het centrum van elke dienst was wel eenzijdig. We lezen dat de Gemeente in de tijd van de apostelen niet alleen volharde in de leer, maar ook in de gemeenschap, de breking van het brood en de gebeden. Natuurlijk was na de eeuwen van middeleeuwse duisternis een grondige kennis van het Woord van God meer dan nodig. Maar de sterke nadruk die men daarop in de diensten legde, benadeelde de andere genoemde aspecten van de dienst: er bestond geen evenwicht.

Reeds vanaf het begin was in het protestantisme merkbaar dat bekeerden en onbekeerden samen gingen. De leiding werd in handen gelegd van een daartoe degelijk geschoold man: de predikant. Daardoor ontnam men de Heilige Geest voor een groot deel de mogelijkheid om via de gelovigen zijn werking in de samenkomst uit te oefenen. Maar dat realiseerde men zich niet. Gevolg is dat de predikant komt te staan tegenover de zwijgende, bijna passieve gemeente. In hem worden alle geestesgaven tezamen verondersteld: hij is evangelist, herder, leraar etc. Alle geestesgaven, aan de gemeente als geheel in haar leden geschonken, oefent slechts hij uit: hij doet alles wat de gemeente behoorde te doen. De gemeente zit en luistert. Ze mag nog wel zingen. In een liturgische dienst is haar bijdrage geheel of bijna geheel voorgeprogrammeerd. Verder is de gemeente altijd in de rol van toegesprokene, altijd catechesant. Daardoor slaapt ze lichamelijk en geestelijk in: het is onmogelijk om zonder schadelijke gevolgen de geestelijke gaven van de overgrote meerderheid van de gemeente te verwaarlozen en de vrije werking van de Heilige Geest in de dienst te belemmeren.

Darby komt dus met medegelovigen weer bijeen tot aanbidding aan de Tafel van de Heer. Zij zijn zoals gezegd gelovigen, zij zijn dus priesters en ze oefenen hun priesterschap ook weer uit. De één heft een loflied aan, de anderen vallen hem bij. Een tweede dankt God voor het grote heil dat Hij geschonken heeft, het 'amen' wordt door allen herhaald want hij sprak uit wat door de Geest van God gewerkt in de harten van allen leefde. Een derde leest een toepasselijk gedeelte uit de Bijbel voor. Een vierde breekt het brood en het gaat van hand tot hand; ook de beker gaat rond en ieder drinkt eruit. Zo verkondigen zij de dood van de Heer (want dat is de grond van hun behoud) totdat Hij komt, want dat zal eens gebeuren. Zo zijn ze daar als zijn gasten aan zijn Tafel. Hij is daar Zelf ook, want waar twee of drie vergaderd zijn tot zijn naam, daar is Hij in hun midden.

Deze eredienst vindt plaats op zondagmorgen (zie kader rechts). De andere in het begin van de hiervoor genoemde diensten vinden plaats op zowel zondagen als doordeweekse dagen. Eén ding hebben de samenkomsten gemeen: men wil de Heilige Geest niet belemmeren door regels, maar Hem in de gelegenheid stellen zijn werking uit te oefenen door wie Hij wil. Daarom is er geen sprake van aangestelde 'ambtsdragers' maar worden de gaven van de Heilige Geest erkent in hen waarin ze werken. De Heilige Geest woont in de Gemeente en deelt de gaven uit. Het is de verantwoordelijkheid van de gelovige om de hem toegedeelde gave te ontwikkelen en bij de ander te beproeven en te erkennen. Kunnen zulke diensten dan wel ordelijk verlopen? Het is de beste garantie voor geestelijke orde. Christus is daar en zijn Geest (Heilige Geest) heeft de leiding. Als men zich daaraan onderwerpt, heerst er zonder meer orde. De Gemeente heeft hier een taak en een daaraan verbonden verantwoordelijkheid. Onttrekt men zich daaraan, dan heeft dat zwaarwegende gevolgen, al zijn de bedoelingen nog zo goed.

Mogelijk rijst de vraag welke leer er dan wel is. Het zal duidelijk zijn dat de zuiverheid van de Tafel van de Heer haar eisen stelt. Niemand zal toegelaten kunnen worden die de reinigende kracht van het bloed van Christus hetzij loochent hetzij voor zichzelf niet aanvaardt. Evenmin hij, die de Godheid van Christus in twijfel trekt of hij die niet ernstig een heilige levenswandel nastreeft en bestaande verbindingen met het kwaad verbreekt. En wat de leer betreft: er bestaat onderling een vrij vergaande eensgezindheid over vele hoofdzaken zoals de verhouding Israël en de Gemeente, de doop en de toekomst. Verschil in opvatting over dergelijke onderwerpen mag niet een beletsel zijn voor toelating. Wel een beletsel voor toelating is een verbinding met iemand die in zonde leeft of die een onbijbelse leer verkondigt. Deze verbindingen dienen eerst te zijn verbroken.

Het antwoord op de vraag hoe de Vergadering zou moeten functioneren kan alleen gevonden worden als wij ons toevertrouwen aan God en aan het Woord van zijn genade. Daarbij is het nodig dat wij biddend onder de leiding van zijn Geest dagelijks de Schriften onderzoeken om te weten of deze dingen zo zijn. Vele tekortkomingen in verleden en heden zijn door menselijke zwakheden en falen aanwijsbaar. Maar door genade van God en kracht van de Heilige Geest mogen wij nog steeds samenkomen zoals Hij ons dat in zijn Woord duidelijk maakt.

De tekst van deze nadere uitwerking is een bewerking van een inleiding gehouden op 28 februari 1962 door prof. P. Jongenburger (1924-2006).
Algemeen
Bijbel
Doop
Eredienst
Links
 








































De geschiedenis van de verloren zoon:
Telos-vertaling
Groot Nieuws Bijbel














































































































































































































Nevenstaand schilderij van kunstenares Anneke Kaai (1951), kreeg van haar als titel mee:
'Gebroken, vergoten, verrezen'.
Het symboliseert de verschillende aspecten van het Avondmaal als gedachtenis maaltijd door:
- het gebroken brood: de Heer Jezus heeft zijn lichaam overgegeven in de dood;
- de uitvloeiende wijn: de Heer Jezus heeft zijn bloed gestort;
- het licht dat van achter het kruis verschijnt: Hij is als levende Heer aanwezig waar twee of drie samenkomen in zijn Naam.



















































De eerste dag van de week.
Direct in aansluiting op het scheppingsverhaal in het boek Genesis kunnen wij lezen over de zevende dag, dat God deze als een bijzondere dag afzondert (heiligt) voor Zichzelf:

Genesis 2 vers 2: Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. 3. En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht. (NBG-vertaling)
Het volk Israël kreeg bij de wetgeving de opdracht deze zevende dag, de sabbatdag, te onderhouden en geen werk te doen (Exodus 20 vers 8-10 en 31 vers 12-17).

Direct na het volbrachte Verzoeningswerk van de Heer Jezus zien we dat de eerste dag van de week op de voorgrond treedt. In alle vier de evangeliën lezen wij dat de Heer Jezus is opgestaan op de eerste dag van de week (Mattheüs.28, Marcus 16, Lukas 24, Johannes 20). Ook verschijnt Hij als de opgestane Heer tweemaal aan de discipelen op de eerste dag van de week (Johannes 20 vers 19 en 26). Wij lezen nergens een gebod om de eerste dag van de week af te zonderen als rustdag of dag van samenkomst om aan Hem te denken en om Hem te aanbidden. Toch zien we dat bij de jonge christengemeente in Troas op de eerste dag van de week wordt samengekomen om brood te breken. Daar was het doel van samenkomen in de eerste plaats de viering van het Avondmaal. Omdat Paulus en zijn gezelschap, onder wie ook Lukas - de schrijver van het boek Handelingen, de volgende dag zouden vertrekken, werd er ook gepredikt (Handelingen 20 vers 7 en verder). Het is duidelijk dat de eerste dag van de week al vroeg een bijzondere dag is geworden voor de Christenen. Deze dag is bestemd als dag van eredienst en als dag van weldadigheid (1 Korinthe 16 vers 1 en 2).

In feite is hiermee de volgorde: eerst werken - daarna rusten, omgedraaid. Het is nu geworden: eerst rusten - daarna werken.
Dit benadrukt dat er na de opstanding van de Heer Jezus een totaal nieuwe situatie is gekomen.